Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AX3234

Datum uitspraak2006-05-04
Datum gepubliceerd2006-05-22
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/3128 AW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Schorsing en ontzegging toegang. Zeer ernstig plichtsverzuim. Strafontslag.


Uitspraak

04/3128 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 april 2004, nr. AWB 03/3393 AW (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft (hierna: College) Datum uitspraak: 4 mei 2006 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. F. van der Brug, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Brug. Het College heeft zich laten vertegen-woordigen door mr. drs. J.H.M. Wesseling, advocaat te ’s-Gravenhage, en door D.G.J. van Kampen, P.F.M. Kok en W.G. Meesters-Kraak, werkzaam bij de gemeente Delft. II. OVERWEGINGEN 1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant was vanaf 1980 werkzaam bij CombiWerk, een gemeentelijke dienst belast met uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening. Na werkzaam te zijn geweest als werkleider vervulde hij sinds 1999 de functie van chef van de afdeling Kunststof. 1.2. Bij besluit van 30 mei 2002 (besluit 1) heeft het College appellant geschorst in het belang van de dienst bij wijze van ordemaatregel en hem gedurende de schorsingsperiode de toegang tot de kantoren, werkplaatsen en andere arbeidsterreinen van CombiWerk ontzegd. Vervolgens is appellant bij brief van 2 augustus 2002 in kennis gesteld van het voornemen hem wegens plichtsverzuim te ontslaan. Daarbij heeft het College de periode van schorsing en ontzegging van toegang verlengd totdat de besluitvorming inzake het ontslagvoornemen zou zijn afgerond (besluit 2). 1.3. Bij besluit van 8 oktober 2002 (besluit 3) is appellant met ingang van 11 oktober 2002 onvoorwaardelijk strafontslag verleend. 1.4. Bij het bestreden besluit van 8 juli 2003 heeft het College de bezwaren van appellant tegen de besluiten 1 tot en met 3 ongegrond verklaard. 2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 8 juli 2003 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat appellant nevenwerkzaamheden heeft verricht zonder daarvan melding te maken bij het College. Bovendien heeft hij verschillende medewerkers van CombiWerk betrokken bij zijn werkzaamheden, zowel in als buiten diensttijd, en hun daarvoor betaald. Gelet op de aard en omvang van het plichtsverzuim achtte de rechtbank de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig. 3. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd overweegt de Raad als volgt. 3.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het College in de gegeven omstandig-heden in redelijkheid voldoende grond kon zien om appellant te schorsen en de toegang te ontzeggen, en de duur van deze maatregelen vervolgens te verlengen. De desbetreffende grieven van appellant treffen derhalve geen doel. 3.2. Wat betreft het hem verweten plichtsverzuim heeft appellant onder meer gesteld dat niet is aangetoond dat als gevolg van zijn nevenwerkzaamheden CombiWerk opdrachten is misgelopen. Voorts heeft hij gewezen op de heersende bedrijfscultuur, waarin het niet ongebruikelijk was dat onder werktijd soms kleine privé-klusjes werden gedaan. 3.3. De Raad kan appellant in zoverre volgen, dat de gedingstukken ook naar zijn oordeel geen hard bewijs bevatten voor omzetschade die door CombiWerk zou zijn geleden. Het is overigens zeker niet uitgesloten dat zulke schade is geleden, zoals ook de rechtbank heeft overwogen. 3.4. Naar het oordeel van de Raad kan voorts in het midden blijven, of het verrichten van kleine privé-klusjes in werktijd - waarvan de gedingstukken verscheidene voorbeelden bevatten - de heersende bedrijfscultuur was bij CombiWerk. De Raad stelt vast dat hetgeen appellant kan worden aangerekend naar aard en omvang veel verder strekt. 3.5. De onderzoeksrapporten van Hoffmann Bedrijfsrecherche, Interseco en de politie, die naar aanleiding van de tegen appellant gerezen verdenkingen zijn opgesteld, tonen consistent en overtuigend aan dat appellant geregeld, al dan niet op naam van het door hem geleide bedrijf Try Out Services, later NieuwenBurgh, voor derden tegen betaling werkzaamheden heeft uitgevoerd. Hij heeft verzuimd deze nevenwerkzaamheden op de voorgeschreven wijze te melden bij het College. Het betrof werkzaamheden van soms aanzienlijke omvang, die niet alleen in de werkplaats van CombiWerk werden verricht, maar ook elders. Voor deze werkzaamheden is appellant meermalen ongeoorloofd afwezig geweest tijdens diensttijd. Bovendien werd hiervoor door appellant tegen betaling personeel ingezet van CombiWerk, zoals ook blijkt uit het arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 18 oktober 2005, nr. 22-004712-04, waarbij appellant strafrechtelijk is veroordeeld wegens het verzwijgen van dit (zwarte) werk en het daarvoor betaalde loon. De uren die de medewerkers in werktijd van CombiWerk maakten werden door toedoen of met medeweten van appellant veelal “weggeschreven” op andere projecten of onder “geen werk”. Ook kwam het voor dat medewerkers ingezet werden die ziek gemeld waren. 3.6. De omstandigheid dat appellant in de strafrechtelijke procedure is vrijgesproken van een aantal hem tenlastegelegde strafbare feiten staat er niet aan in de weg dat de Raad, die niet aan strafrechtelijke bewijsregels is gebonden, op grond van genoemde onderzoeken en de daarbij afgelegde verklaringen van oordeel is dat de vaststelling van het hiervoor onder 3.5. beschreven plichtsverzuim op voldoende deugdelijk vastgestelde feiten berust. 3.7. Appellant heeft geenszins aannemelijk gemaakt dat het (doen) verrichten van nevenwerkzaamheden op een dergelijke wijze tot de heersende cultuur bij CombiWerk behoorde. Integendeel, uit de gedingstukken blijkt dat ook collega’s van appellant zich in toenemende mate ergerden aan zijn frequente afwezigheid en onduidelijke handel en wandel. 3.8. Met deze activiteiten, die ten minste van eind 1997 tot 2002 hebben geduurd, heeft appellant zich ook naar het oordeel van de Raad schuldig gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim. Appellant heeft het vertrouwen van zijn werkgever geschaad en afbreuk gedaan aan het aanzien en de integriteit van CombiWerk als arbeidsorganisatie. Daarbij valt appellant nog meer in het bijzonder te verwijten dat hij bij zijn ongeoorloofde werkzaamheden kwetsbare medewerkers heeft betrokken, die onder zijn leiding stonden en die niet in een positie waren om nee te zeggen tegen zijn verzoeken om medewerking. Gelet op de aard en ernst van dit plichtsverzuim is de straf van onvoorwaardelijk ontslag daaraan niet onevenredig. 4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K.J. Kraan en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2006. (get.) H.A.A.G. Vermeulen. (get.) A. de Gooijer. HD 18.04